Egbert Sijtses, geb. Beetsterzwaag 1699, molenaar in Steenwijkerwold, † Steenwijkerwold tussen 1756 en 1764, zn. van Sijtse Sickes en Antje Sietses,
tr. 1e vóór 1729 N;
tr. 2e Steenwijkerwold 9 okt. 1729 Maria Harmens Haver, geb. Steenwijkerwold 10 april 1712, ze wordt ’muller’ genoemd in 1753, † Steenwijkerwold tussen 1753 en 1764, dr. van Harmen Koenderts en Petertje Peters Bruynis.
Uit het tweede huwelijk:
Jonge jaren van Egbert Sijtses [1670-1695]
Egbert Sijtses is in 1699 als tweede zoon geboren in Beetsterzwaag, met twee broers en twee zusters. Jochem de oudste, na Egbert kwam Romckje, dan Femke en als jongste Sicke. Vader was molenaar op de Oosterse molen. Zoals zijn vader zal ook hij het het malen en alle andere aspecten van het molenaar zijn, hebben geleerd van zijn vader, inclusief het bakken van brood. Ook Egbert had ambitie als molenaar. Door die ambitie kwam hij buiten Friesland terecht.
Van Beetsterzwaag naar Steenwijkerwold.
Een stamboom onderzoek begint in het heden en loopt zo verder in het verleden. Het was een speurtocht om te ontdekken waar Egbert vandaan kwam toen het spoor in Steenwijkerwold dood liep.
Hoe weten we dat Egbert uit Beetsterzwaag kwam? De jongste broer van Egbert, Sicke, was de sleutel naar de familie in Beetsterzwaag. Hij liet namelijk in 1728 een kind dopen in Steenwijkerwold.
“Den 11 Januaris is gedoopt die zoon van Sicke Mulder en Antien Zijtses en is genaamd Zijtsse die vader tot getuige daarvan”.
Wat opvalt is dat Sicke hier genoemd wordt met Antje Sijtses. Hij kan toevallig een meisje met dezelfde naam als zijn moeder zijn getrouwd. Het kan ook zijn dat het op een vergissing berust en dat zijn moeder bij de doop aanwezig was. Dit speelde zich af, een jaar voordat Egbert trouwde met Maria Harmens Haver. De afkomst uit een al ouder molenaars geslacht verklaart waarom alle 8 teruggevonden kinderen van Egbert Sijtses en Maria Harmens zich Van der Molen (6x) en Van der Meulen (2x) hebben genoemd. De oudste, Neijtske (1730) hebben we niet teruggevonden. Antje (1741) is waarschijnlijk vroeg overleden waarna er weer een Antje werd vernoemd in 1741.
De link tussen Beetsterzwaag en Steenwijkerwold begint mogelijk al eerder met de vorige molenaar van de molen in Steenwijkerwold, Pier Annes. Gelet op de naam zou het mij niet verbazen als Pier Annes uit het zuiden van Friesland kwam waar o.a een Pier Annes eigenaar en molenaar was van de Rotstermolen vanaf 1602 [SCO009-74]. Maar dat terzijde. Deze Pier Annes was weduwnaar en trouwde in 1705 met Petertje Hinckes, weduwe van Brucht Jelckes die in leven molenaar van Oldetrijne was. Een zoon van Petertje en Brucht was Jelke Bruchts, die molenaar was in Oldemarkt. Deze Jelke laat in 1727 in Steenwijkerwold een zoon Harmen dopen.
Nog een ander belangrijk punt is dat de vader van Brucht Jelkes de molenaar van Oldetrijne, die niet toevallig Jelcke Bruchts heet, tenminste in jan 1669 in Lippenhuizen woonde [OPS117-129]. Juist, daar waar ook de grootvader van Egbert Sijtses woonde, de molenaar Sicke Sijtses. Daarmee lijkt de cirkel rond en kunnen we een aardige samenvatting maken.
Vanaf zeker ca. 1700 is Pier Annes molenaar in Steenwijkerwold. Uit zijn eerste huwelijk zijn geen kinderen geregistreerd in het doopboek van Steenwijkerwold. Als zijn 1e vrouw overlijdt hertrouwd hij met Pietertje Hinkes, de moeder van Jelcke Bruchts. Jelke, die molenaar is in Oldemarkt neemt waarschijnlijk omstreeks 1727 het bedrijf waar, waarna Egbert Sijtses tussen 1727 en 1730 het bedrijf overneemt, geholpen door zijn broer Sicke, waarna Jelke weer naar Oldemarkt vertrekt waar hij later weer als molenaar werkzaam is.
Bij zijn huwelijk in 1729 met Maria Harmens is Egbert weduwnaar. De naam van zijn eerste vrouw en eventuele kinderen zijn niet bekend. Met Maria krijgt hij 10 kinderen. Over deze molen en het bedrijf is nagenoeg niets bekend. Met het grote gezin zal het voor een klein molenaarsbedrijf geen vetpot zijn geweest. Dit wordt bevestigd doordat de erfenis 'van geringe waarde' wordt genoemd.
Overlijden
In 1764 zijn Egbert Zietses en Maria Harms beiden overleden. Zij laten vier minderjarige kinderen na: Peter, Jacob, Femmechien en Antje. Er wordt door het gerecht te Steenwijk een akte opgemaakt op 11 april 1764.
Omdat er geen geschikte naaste familieleden beschikbaar zijn, benoemt het gerecht Harm en Jelke Egberts als voogden. Zij beloven plechtig de belangen van de kinderen te behartigen.
Daarna maken Harm, Jelke, Sietse, Jochum en Peter Egberts een onderlinge afspraak:
Vanwege de geringe waarde van de erfenis en om te voorkomen dat de kinderen ten laste van de armenzorg komen, neemt Jelke Egberts de zorg op zich voor drie van de kinderen (Femmechien, Jacob en Antje) voor de duur van vijf jaar. Hij zal hen onderhouden (kost, kleding, verzorging), en hen zo mogelijk leren lezen en schrijven. Als tegenprestatie krijgt Jelke de hele nalatenschap (met alle baten en lasten), behalve de bestaande schulden, die gezamenlijk door de broers zullen worden betaald.
Om Jelke te steunen betalen Harm, Sietse, Jochum en Peter ieder jaarlijks 10 Carolusguldens voor het onderhoud van de drie kinderen, gedurende vijf jaar.
Verder spreken ze af dat eventuele geschillen over deze regeling zullen worden beslecht door de schout Van der Licht.
Tot slot bevestigt het gerecht de gemaakte afspraken, met de toevoeging dat alles wat de kinderen later zelf nog zouden erven of verkrijgen, hun eigen eigendom blijft.
Laat me weten wat je van deze biografie vind.