Johannes Franzes van der Molen (Jannes), geb. Sonnega 4 febr. 1797, boer, † Schurega 6 sept. 1856, zn. van Frans Sijtses en Rinske Jannes de Boer, tr. Wolvega (fr) 2 aug. 1828 Tryntje Jans Woudsma, geb. Wolvega (fr) 3 aug. 1798, huisvrouw, † Schurega 15 maart 1877, dr. van Jan Hendriks en Froukje Sijtses van der Molen.
Uit dit huwelijk:
Afkomst en familie
Johannes Franses van der Molen werd geboren in 1797 te Sonnega, gemeente Weststellingwerf. Hij werd doorgaans Jannes genoemd naar zijn grootvader van moederszijde. Hij was de zoon van Frans Sijtses van der Molen (1761–1822) en Rinske Johannes (Jannes) de Boer uit Wolvega.
Zijn grootouders aan vaderszijde waren Sijtse Egberts van der Molen en Jeltje van der Leij, landbouwers in Sonnega. Sijtse Egberts gebruikte al vóór 1811 de familienaam Van der Molen. Op zijn akte van naamsaanneming wordt genoteerd “verblijft bij de naam Van der Molen”, waarmee de familienaam officieel werd vastgelegd.
De familie kende nauwe verwantschappen:
Jannes’ echtgenote Trijntje Jans Woudsma (1799–1877) was zijn nicht. Zij was de dochter van Froukje Sijtses van der Molen, zus van Jannes’ vader Frans.
Ook Jannes’ zus Neeltje Franses huwde met haar neef Sijtse Egberts van der Molen, een zoon van Egbert Sijtses.
De familie Van der Molen behoorde in de 18e en 19e eeuw tot de boerenstand in Weststellingwerf, met meerdere takken die elkaar door huwelijk versterkten.
Jeugd en naamsaanneming
In 1811 werd het gezin van zijn vader in Sonnega officieel ingeschreven bij de naamsaanneming. Frans Sytses nam toen met zijn kinderen de naam Van der Molen aan. In de akte worden genoemd: Gatsjen (24), Jeltjen (21), Jannes (14) en Neeltjen (11).
Huwelijk en kinderen
Op 2 juli 1828 huwde Jannes in Weststellingwerf met Trijntje Jans Woudsma. Samen kregen zij meerdere kinderen, van wie velen jong overleden:
1. Vroukjen (1829–1874), gehuwd met Uiltje Jans Jansma (landbouwer en koopman te Oudehorne). Hij was ook aandeelhouder in de boerderij.
2. Frans (1832–1852), overleed 20 jaar oud als dragonder, dit is een soldaat te paard, in het militair hospitaal te Groningen.
3. Rinske (1834–1859), gehuwd met Jelle Wisses Heida, overleed 23 jaar oud.
4. Jan (1836–1876), huwde Antje Wijbenga; vader van o.a. zoon Jan, die op zijn beurt vier zoons kreeg en de stam voortzette.
5. Sijtse (1839–1852), verdronk in de Tjonger toen hij 12 jaar oud was.
6. Jelte (1843–1845), stierf als peuter.
7. Een levenloos kind (1846).
Het gezin kende dus herhaaldelijk verlies, een realiteit die veel 19e-eeuwse boerengezinnen trof.
Woonplaatsen en boerenbedrijf
Jannes en Trijntje vestigden zich achtereenvolgens in:
Nijelamer (1829, bij de geboorte van dochter Vroukjen),
Oldeholtwolde (1832, bij zoon Frans),
Ter Idzard (1834–1836, bij de geboorte van Rinske en Jan),
Jubbega-Schurega (vanaf ca. 1839).
In 1839 zette hij samen met Uiltje Jans Jansma, die in 1856 met Jannes’ dochter Froukje zou trouwen, een grote stap: de aankoop van een boerderij in Schurega voor 2600 gulden. Johannes verwierf driekwart van het eigendom, Uiltje een kwart. Deze boerderij zou later bekendstaan als de “Jannes Franses plaets” en bleef tot ver in de 20e eeuw onder die naam genoemd. Het was een ontginningsboerderij, er was bou-land en weide, en een groot deel bestond uit heide die nog moest worden ontgonnen.
Naast de aankoop van deze boerderij en land bezat Jannes daarvoor ook al vee en rogge-op-veld en trad hij geregeld op als koper of verkoper in notariële akten. Dit wijst op een zekere welstand en actieve betrokkenheid bij de agrarische economie van de regio.
Kerkelijk leven
Op 17 april 1831 deed Johannes belijdenis in de Hervormde gemeente van Oldeholtpade, waarna hij zich kerkelijk aansloot bij Hoornsterzwaag waaronder Jubbega Schurega viel. Zijn kerkelijk lidmaatschap illustreert de hechte band tussen boerenstand en de kerk. Het is niet zeker of Johannes bij zijn overlijden nog tot de hervormde kerk behoorde. Zoon Jan was aangesloten bij de later, in februari 1836, opgerichte Christelijk Gereformeerde gemeente van Mildam.
Overlijden en nalatenschap
Van de zes kinderen waren bij het overlijden van Johannes Franses op 6 september 1856, alleen nog twee erfgenamen over: zijn kleindochter Janke Uiltjes Jansma (dochter van Froukje Johannes en Uiltje Jansma) en zijn zoon Jan Johannes.
Inventaris
Na zijn overlijden werd door de notaris een inventaris van zijn nalatenschap opgemaakt. De belangrijkste posten waren waren uiteraard het vee, koeien, varkens een paard en een melkschaap. Het boerengereedschap zoals een eg en een beslagen wagen. Diverse percelen ‘rogge op wortel’. Voor de weinige vrije tijd was er een aantal boeken en worden 3 kerkboeken genoemd met zilveren beslag. Verder huisraad en ook sieraden waaronder een smal gouden oorijzer en ‘vrouwen lijfdracht’ Omdat er twee erfgenamen waren moest de waarde bepaald worden en moest er aan de erven ‘uitbetaald’ worden. Ook het vermogen in de boerderij moest bepaald worden. Het jaar daarop werd er een notariële akte opgesteld, van de finale toewijzing van de verkoop van de boerderij. De verkoop en aankoop van de boerderij was hierin vastgelegd. Trijntje Woudsma was verkoper en ook de koper voor ruim ƒ 9850, wat de aanzienlijke waarde van het boerenbedrijf bevestigt.
Zoon Jan zette het bedrijf voort. In 1862 tekende Trijntje een schuldbekentenis van 1000 gulden aan Jan Johannes, waarschijnlijk voor huur en arbeidsvergoeding. Dat toont aan dat de overgang naar een nieuwe generatie ook financieel vorm moest krijgen, waarbij de zoon als volwassen boer zijn eigen positie opeiste.
De familie wist hun bezit niet alleen te behouden maar ook te versterken. In 1864 verkocht Trijntje roerende goederen ter waarde van ruim 500 gulden, en in datzelfde jaar breidde Jan Johannes zijn land uit door bij een boerderijverkoop van buurman Wijbe Nijholt zes hectare te verwerven. Zo bleef het bedrijf groeien.
Na Trijntjes overlijden in 1877 werd het bezit opnieuw verdeeld. Driekwart van het onroerend goed ging naar de erfgenamen: Janke Uiltjes Jansma en Jan Johannes, die als voogd ook Jankes belang behartigde. Elk kreeg daarmee 3/8 van het bedrijf.
Jan Johannes wist in de daaropvolgende jaren de boerderij stevig uit te bouwen.
Zo weerspiegelt de geschiedenis van Johannes Franses en zijn nazaten het persoonlijke verhaal van deze boerenfamilie, maar ook de bredere ontwikkeling van de Friese landbouw in de negentiende eeuw: van kleinschalige boerenbedrijven naar meer kapitaalkrachtiger ondernemingen met een stevige sociale positie.
Met zijn boerderij in Schurega liet Jannes Franses van der Molen een blijvende naam na. De “Jannes Franses plaets” herinnerde nog generaties later aan hem. Zijn zoon Jan Jannes zette de stam voort, zodat de familielijn Van der Molen uit Sonnega en Schurega bleef bestaan.
Laat me weten wat je van deze biografie vind.